Archive for the 'Boekbespreking' Category

In de Ban van Fortuyn - Jutta Chorus en Menno de Galan

January 16th, 2008

De omslag van In de Ban van Fortuyn


In de Ban van Fortuyn
Jutta Chorus en Menno de Galan
344 pagina’s met index
published in 2002

Toen Pim Fortuyn werd vermoord op 6 mei 2002 was dit de eerste politieke moord in Nederland sinds de zeventiende eeuw. Het was dus met recht het eind van een tijdperk, de dag dat de politiek haar onschuld verloor. De moord zette een veranderingsproces op gang wat nog steeds niet is afgelopen. Volkert van der G., Fortuyn’s moordenaar, dacht met zijn daad het land te bevrijden van een gevaarlijk man, maar het enige waar hij echt in is geslaagd is van Fortuyn een martelaar te maken. Fortuyn werd een symbool voor iedereen die eng rechts was, een vlag waaronder veel vieze dingen, ook dingen waar Fortuyn het niet mee eens zo zijn geweest, verkocht konden worden. En alhoewel het “Fortuynisme” en de LPF bijna geheel uit de politiek zijn verdwenen leeft die erfenis van Fortuyn nog steeds voort.

In de Ban van Fortuyn begint terecht met de dag van zijn moord en de nasleep daarvan, waarna een sprong terug in de tijd wordt gemaakt naar Fortuyn’s jeugd en vroege carrieré. Vandaar wordt Fortuyn op de voet gevolgd door zijn turbulente leven, zijn tijd als politicus en uiteindelijk zijn moord en wat er daarna gebeurde met zijn partij. De auteurs zijn twee bekende journalisten die Fortuyn al vanaf het begin van zijn carrieré hadden gevolgd en sympathiek tegenover hem stonden, wat niet betekende dat ze het automatisch eens waren met zijn ideologie en denkbeelden.

Zelf ben ik niet zo’n fan van Fortuyn. Hij was nu eenmaal een rechtse populist met enige neiging naar Islamfobie, in een periode waarin dit vuurtje echt niet meer hoefde te worden aangewakkerd. Ik ben nog nooit zo opgelucht geweest als toen het bekend werd dat zijn moordenaar een blanke dierenactivist was; als het een voortijdige Mohammed B. kloon was geweest dan hadden we echte rassenrellen gehad en niet alleen een fikkie in de parkeergarage van de Tweede Kamer.

Maar wie was Fortuyn nu eigenlijk? Volgens In de Ban van Fortuyn kwam hij in ieder geval uit een kleinburgelijk, provinciaal, Katholiek gezin en was hij vanaf het begin altijd iemand die in het middelpunt van de belangstelling moest staan. Fortuyn studeerde sociologie, rechten, geschiedenis en economie in Amsterdam, kreeg begin jaren tachtig een baan als leraar aan de universiteit in Groningen waar hij Marxistische sociologie onderwees, waar hij langzaam politiek verschoof van het in de mode zijnde linksradicalisme naar de PvdA. In 1986 volgde een benoeming als researcher voor de Sociaal-Economische Raad en drie jaar later werd hij zelfs directeur van de OV-Studentenkaart BV. daar vetrok hij toendertijd met een fikse ruzie, om uiteindelijk als voltijd Elsevier columnist en afterdinner speaker te eindigen. Hierdoor en door zijn vele boeken werd hij langzamerhand een bekende Nederlander, in ieder geval in politieke en zakenkringen, iemand die steeds vaker werd gevraagd om rechts-liberale standpunten te komen verdedigen in de vele discussieprogramma’s die Nederland rijk is.

Maar zijn invloed bleef voorlopig beperkt en hij stonds zelfs bekend als een beetje een loser, die keer op keer goede betrekkingen verloor omdat hij te eigenwijs was en niet zo goed met anderen kon samenwerken. Ondertussen jeukte het bij hem om echt
iets groots te presteren.

En toen was daar Leefbaar Nederland, de partij van Jan Nagel en Henk Westbroek die was ontstaan uit hun succesvolle lokale partijen in Hilversum en Utrecht, partijen die zich afzetten tegen de gevestigde politiek en daar zoveel succes meehadden dat “leefbaar”partijen overal als paddestoelen uit de grond sprongen. Toen deze partijen bij de lokale verkiezingen dan hun beloftes waarmaakten en de grote winnaar werden van de verkiezingen waren de verwachtingen dan ook hooggespannen…

Voor de landelijke verkiezingen was echter wel een leider nodig en dat werd dus Fortuyn, die met de gemeenteraads verkiezingen in Rotterdam al gelijk de Leefbaar partij daar aan een forse overwinning had geholpen. Desondanks stond de top van LN, zo maken de auteurs duidelijk, eerst huiverig tegen het idee om Fortuyn bij de partij te halen; pas toen duidelijk was dat hij een stemkanon van formaat zou zijn werd hij echt gevraagd. Dat gebeurde in november 2001 en ondmiddelijk schoot Leefbaar Nederland omhoog in de peilingen. De tijd was rijp voor een nieuwe, charismatige partij, want de kiezer had genoeg van de grauwe jaren negentig en de arrogantie van de “grote vier”: CDA, PvdA, VVD en D66. Met Fortuyn leek LN die partij te zijn.

Het sprookje duurde niet lang, want al snel ging Fortuyn iets te ver voor de LN top, met zijn voornemen om artikel 1 uit de Grondwet te schrappen als dit artikel hem zo beletten de Islam een “achterlijke godsdienst” te noemen.

Dus toen stichte Fortuyn maar zijn eigen partij, de Lijst Pim Fortuyn en zoals we weten werd deze de op één na grootste partij in de Tweede Kamer bij de verkiezingen van mei 2002. Voor hemzelf kwam het te laat, maar de overwinning voor zijn ide&eulm;n en tegen de oude politiek leek compleet.

Maar ja, de LPF bleek als snel minder een partij en meer een verzameling dorpsgekken te zijn, die met alles en iedereen, inclusief zichzelf, ruzie kregen. Het was een mooie soap, die paar maanden dat ze in de regering zat, maar het toonde aan dat zonder Fortuyn zelf zijn beweging niks kon. Bij de volgende verkiezingen verloren ze het merendeel van hun zetels weer, modderden nog een paar jaar verder maar na de dramatisch verloren verkiezingen van 2006 hieven ze zichzelf maar op. Tot zover het Fortuynisme.

Wat er nu uiteindelijk overbleef van de erfenis van Fortuyn, is onduidelijk. De beweging die hij in gang heeft gezet is op sterven na dood, en zijn roep voor een nieuwe politiek is in de kiem gesmoord. Wat is overgebleven is, helaas, de ongenuanceerde afkeer van de Islam waarmee Wilders nu zo scoort…

De Snuffelstaat - Buro Jansen en Janssen

December 10th, 2007

Omslag van De Snuffelstaat


De Snuffelstaat
Buro Jansen en Janssen
223 pagina’s (inclusief index)
Uitgegeven in 2002

Buro Jansen en Janssen –uiteraard vernoemd naar het beroemde detective duo uit Kuifje– is een links onderzoeksbureau opgericht om de verschillende Nederlandse politie en inlichtingendiensten in de gaten te houden. Daarnaast houdt het zich ook in het meer algemeen bezig met het volgen van wetgeving op het terrein van burgerlijke vrijheden. Het werd opgericht in 1984, in een periode dat o.a. de krakersbeweging, maar ook andere linkse groeperingen, steeds meer te maken kregen met politie onderzoeken en spionage door de inlichtingendiensten, als een soort tegenwicht door informatie over deze praktijken te verzamelen en te publiceren. Sindsdien heeft het een goede reputatie opgebouwd als vraagbaak op dit gebied, door zowel zelf te publiceren als door journalisten te assisteren die over deze onderwerpen schrijven.

De Snuffelstaat is één resultaat hiervan, een overzicht van hoe de belangrijkste Nederlandse spionage organisatie, de AIVD (Algemene Inlichtingen en Veiligheids Dienst, voor 2002 de BVD, Binnenlandse Veiligheids Dienst) functioneert en wat haar invloed is op de politiek als ook op de gewone burger. Zowel het werk als de methoden van de AIVD komen aan bod, als de wetgeving waarin deze taken zijn vastgelegd, maar ook de banden die het heeft met andere inlichtingen- en veiligheidsdiensten in binnen- en buitenland.

Dit leest niet altijd even lekker weg. Veel van de behandelde stof is nu é&eacutenmaal, ook voor geinteresseerden, nogal droog. Maar ja, dit is dan ook niet bedoeld als een sensatiestuk of zelfs maar een polemiek tegen de AIVD . De auteurs zien de noodzaak van de AIVD in, zolang deze maar goed omschreven taken en bevoegdheden heeft en de wetgeving maar duidelijke grenzen stelt aan het functioneren ervan. Het probleem is echter dat dit helaas niet het geval is. Zowel de taakstellingen van de AIVD als de instrumenten die het kan gebruiken om haar taken te vervullen zijn doelbewust zo vaag mogelijk gehouden in de huidige wetgeving, zonder al te veel aandacht voor privacy of andere burgerrechten.

De Snuffelstaat werd geschreven naar aanleiding van de nieuwe wetgeving over inlichtingendiensten die dat jaar van kracht werd. Het is hierdoor wat verouderd, doordat het uitkwam voor de moord op Pim Fortuyn en de opkomst van het zogenaamde “Islamitisch terrorisme”. De indruk die je krijgt bij het lezen van dit boek is dat de verschillende veiligheids- en inlichtingendiensten sinds het einde van de Koude Oorlog naarstig op zoek zijn geweest naar nieuwe dreigingen om hun bestaan te rechtvaardigen, zonder al te veel succes. Met de moord op Fortuyn en alles wat daarna gebeurde kregen ze deze bedreiging in de schoot geworpen, hoewel ze toendertijd dit helemaal niet zagen aankomen…

Het beeld dat De Snuffelstaat geeft is er dus nog steeds één van een dienst op zoek naar een dreiging, terwijl de AIVD deze ondertussen al heeft gevonden in terrorismebestrijding. Desondanks blijft dit een bruikbaar naslagwerk, omdat in brede zin de werking van de dienst en de banden die ze heeft met andere diensten niet zoveel is veranderd.

De antwoorden van het antiglobalisme

December 3rd, 2007

Cover of Antwoorden van het antiglobalisme


De Antwoorden van het Antiglobalisme, van Seattle tot Porte Alegre

Dirk Barrez
262 pagina’s
uitgegeven in 2001

Toen in 1999 het WTO overleg in Seattle werd gesmoord in hevige protesten, werd het duidelijk dat een nieuwe, globale protestbeweging was gebeuren. De pers noemde deze beweging antiglobalisten; zelf spraken de actievioerders van andersglobalisme. Antiglobalisatie suggereert dat de beweging tegen alle vormen van globalisering was, terug wou kruipen achter hermetische landsgrenzen terwijl de protesten in feite waren gericht op één bepaalde vorm van globalisering waarin alleen economische belangen tellen.

Deze vorm van globalisering, die meestal wordt gezien als de enige vorm van globalisering, is gericht op het creëren van een werelwijde vrije markt vrij van enige handelsdrempels, waarbij alles wat bedrijven in de weg staat om handel te drijven, zelfs als daar goede redenen voor zijn, wordt gezien als een handelsdrempel. Dit is het soort globalisering dat wordt nagestreefd door organisaties als de G8, de World Trade Organisation en het International Monetary Fund. Globalisatie ten dienste van het bedrijfsleven, zonder aandacht voor andere belangen.

De ideologie hierachter is die van het radicale vrije markt denken. Alleen een compleet vrije markt, zonder handelsbarrières of andere beperkingen van de speelruimte van bedrijven kan welvaart brengen. Om dit te kunnen berijken moet dus zoveel mogelijk wet- en rgelgeving worden geschrapt, zodat het bedrijfsleven de maximale vrijheid heeft om zichzelf te ontplooien. In deze visie is geen rol weggelegd voor de overheid; deze moet zich zoveel mogelijk buiten de economie houden en zich zeker niet bemoeien met de internationale handel. En als dit niet gebeurd, als een land niet alle kunstmatige belemmeringen en overbodige regelgeving overboord gooit, dan zal dit land stagneren en verarmen. Rijkdom kan alleen worden gecreërd door de markt vrij te laten om haar ding te doen.

Maar in Seattle in 1999 nam een bonte verzameling van actievoerders -vakbonden, milieuactivisten, socialisten, feministen, anarchisten, boeren en vele anderen- afstand van deze visie, in protest tegen de World Trade Organisation conferentie die in de stad plaats vond. En ze protesteerden niet alleen, ze slaagden er in om de conferentie plat te leggen. Een nieuwe beweging was geboren, zo leek het. Natuurlijk bestond deze al langer, maar Seattle was het moment dat de beweging zelf globaliseerde.

Protesteren is goed, maar alleen protesteren is niet voldoende; er moet ook een visie worden ontwikkeld van hoe globalisering wel zou moeten. Hiervoor werd in 2001 het World Social Forum in Porte Alegre (Brazilië), opgericht, als een plaats waar de diverse groepen en mensen betrokken bij het antiglobalisme bij elkaar konden komen. Dirk Barrez was aanwezig op de eerste bijeenkomst en heeft toendertijd een groot aantal interviews afgenomen met bekende en minder bekende activisten. Deze interviews vormen de basis voor dit boek.

Dirk is een Belgische tv journalist, schrijver en activist; hij was in de jaren tachtig betrokken bij de Europese vredesbeweging, en ook actief op het gebied van ontwikkelingssamenwerking. Vanuit die achtergrond heeft hij zijn eigen visie over hoe de antiglobaliseringsbeweging zich zou moeten ontwikkelen. Dit is deels de reden dat hij naar Porte Alegre ging, om zijn visie verder te ontwikkelen en om andere activisten te vragen over hun ideën. In De Antwoorden van het Antiglobalisme probeert hij een breed overzicht te geven van dit alles, van hoe hij en anderen denken over een groot aantal zaken. De onderwerpen die in dit boek behandeld worden varieren dan ook van sociale gerechtigheid, landhervorming, het milieu, landbouw, globale democratie en hoe deze te bereiken, emancipatie, oorlog, enzovoort. Concrete plannen worden natuurlijk niet gegeven, de bedoeling hier is meer om een richting aan te geven.

Zelf was ik het niet helemaal eens met zijn visie, o.a. omdat hij het socialisme wel erg snel verwierp als antwoord op de globalisatie, maar als een introductie tot de breedschaligheid van de antiglobaliseringsbeweging en als denkstuk is dit boek zeker geslaagd.

Anti-kapitalisme: Theorie en Praktijk

April 21st, 2007

Cover of Anti-Kapitalisme: Theorie en Praktijk


Anti-Kapitalisme: Theorie en Praktijk
Chris Harman & Bart Griffioen
71 pages
Uitgegeven in 2002

Anti-kapitalisme: Theorie en Praktijk is een kort boekje bedoelt als een inleiding tot de antikapitalistische beweging vanuit een traditioneel Trotskies standpunt. Het bestaat voornamelijk uit een vertaling van een door Chris Harman geschreven artikel voor het Britse tijdschrift International Socialism. Dit is een theoretisch Marxistisch tijdschrift uitgegeven door de Socialist Workers Party (SWP). De SWP is waarschijnlijk de grootste revolutionaire socialistische partij in Engeland, met wereldwijde zusterorganisaties waaronder de Internationale Socialisten in Nederland. Bart Griffioen, de schrijver van het nawoord, is een prominent lid hiervan.

De antikapitalistische beweging kwam voor het eerst uitgebreid in het nieuws tijdens de Seattle protesten tegen de World Trade Organisation. Het was toen dat niet langer ontkent kon worden dat een nieuwe wereldwijde radicale beweging was geboren. Deze beweging bestond natuurlijk al veel langer, maar in Seattle kwamen de diverse elementen ervan voor de eerste keer zo bij elkaar dat de gevestigde media er wel kennis van moest nemen. In Seattle werkten een aantal zeer verschillende organisaties en mensen — natuurbeschermers, vakbonden, socialisten, anarchisten, activisten uit ontwikkelingslanden etc. — voor het eerst samen tegen een gemeenschappelijk vijand.

En dit tien jaar nadat de Berlijnse Muur was gevallen en het kapitalisme definitief de oorlog met het socialisme zou hebben gewonnen, aan het eind van een decennium waarin alle grote politieken stromingen vrede hadden gesloten met het kapitalisme en de logica van het neoliberalisme en globalisatie hadden omarmd. Maar het bleek dus toch nog mogelijk om een massabeweging tot stand te brengen die niet accepteerde dat er geen alternatief voor het kapitalisme was.

Het ontstaan van deze beweging is wat Anti-kapitalisme: Theorie en Praktijk probeert te verklaren. Harman doet dat vanuit een socialistisch standpunt, maar zonder te verzanden in een ritueel marxisme. Hij analyseert zowel de kracht als de zwakte van de beweging, laat zien waar de diverse groepen en verbonden gelijk hebben en waar ze fouten maken, citerend uit hun eigen publicaties.

Het is niet verrassend dat Harman pleit voor een meer georganiseerde beweging. Volgens hem is de gedecentraliseerde aard van het antikapitalisme een zwakte als het wil uitgroeien tot een echte uitdaging van de status quo. Hierbij moet de beweging ook een richting zoeken en het eens zijn over wat ze wil bereiken, zelfs als dat inhoudt dat het in eerste instantie aanhang verliest. Dat betekent niet dat er geen ruimte moet zijn voor verschillen in aanpak en focus, maar wel dat er enige structuur moet worden opgebouwd.

Ook niet verrassend is dat Harman gelooft dat de richting waarin de antikapitalistische beweging zich moet ontwikkelen een socialistische moet zijn, of dat hij tegen het zoeken naar een compromis met de gevestigde orde is. Hierbij agiteert hij vooral tegen het accepteren van symptoonbestrijding als eindoplossing. Zo is bijvoorbeeld de schuldenverlichting van ontwikkelingslanden een nobel kortetermijns doel, maar als er niet drastische veranderingen plaats vinden, dan zal dit slechts een tijdelijke verlichting zijn. Dit is het kernpunt van dit boek, dat zolang het kapitalisme de baas blijft deze problemen niet opgelost kunnen worden.

Boekbespreking: Partij, Raden en Revolutie - Anton Pannekoek

April 16th, 2007

Anton Pannekoek


Partij, Raden, Revolutie
Anton Pannekoek, Jaap Kloosterman (redactie)
238 pagina’s, met voetnoten en index
Gepubliceerd in 1970

Anton Pannekoek is misschien wel de meest invloedrijke Nederlandse communist van de twintigste eeuw; één van de relatief weinige Nederlandse communisten die ook over de grenzen bekend waren. Kort na de Eerste Wereldoorlog was hij zelfs zo invloedrijk dat Lenin het nodig vond om hem en zijn ideën aan te vallen in een vlugschrift: Left-Wing Communism: an Infantile Disorder. Dit omdat ze wezelijk andere denkbeelden hadden over hoe revolutie tot stand zou moeten komen.

Partij, Raden, Revolutie is een verzameling van Pannekoek artikelen, verzameld en geredigeerd door Jaap Kloosterman. Pannekoek was toen al 12 jaar dood en veel van zijn werk was al jaren daarvoor niet meer verkrijgbaar, als we de introductie van deze bundel kunnen geloven. Dat is, als ze ooit al in het Nederlands verschenen waren. Dit was voor Kloosterman de reden om deze bundel samen te stellen. Daarnaast was er een toenemende interesse in alternatieven voor wat we maar het officiële communisme zullen noemen, zoals aangehangen door het CPN. Dit is dus niet alleen bedoeld als een puur theoretische onderneming, maar om discussie los te maken binnen linkse kringen.

De artikelen in de bundel dateren van tussen 1919 en 1936 en zijn geschreven tegen de achtergrond van de klassestrijd in Duitsland en de opkomst van de nazis daar. Dit betekent dat ze geschreven zijn voor een publiek dat al redelijk bekend was met de ideén waarover Pannekoek schreef en die geen moeite had met het jargon dat hij gebruikte. Ik moet zeggen dat het mij wel af en toe moeite koste, maar toen ik eenmaal eraangewend was bleek hij een meeslepend schrijver te zijn.

Wat echter ontbreekt aan dit boek is enige poging om Pannekoek in zijn context te plaatsen voor diegenen die, zoals ik, niet altijd even bekend zijn met de geschiedenis van het socialisme in Weimar Duitsland. In zijn nawoord trekt Kloosterman wel een aantal conclusies over Pannekoek en zijn theorién, maar onderbouwt hij ze niet, wat de
waarde ervan twijfelachtig maakt. Dit gebrek wordt gelukkig gedeeltelijk goedgemaakt door de voetnoten, die veel van de meer obscure punten in Pannekoek’s betogen verhelderen. Toch was een goede introductie goed van pas gekomen, om Pannekoek, zijn leven en zijn werk wat body te geven.

Maar dit zijn slechts pietluttigheden. Het gaat tenslotte om de artikelen en deze zijn goed gekozen, omdat ze laten zien hoe Pannekoek’s gedachten over de revolutie en de organisatie van de arbeidersklasse veranderen door de jaren. In elk van zijn kritieken worden zijn ide&eacuten toegepast op de situatie waarover hij schrijft en laat hij zien hoe ze erop van toepassing zijn. Je moet hierbij wel een zekere mate van propaganda in acht nemen, want alles is natuurlijk geschreven met de bedoeling de lezer te overtuigen dat zijn versie van het communisme, het zogenaamde radencommunisme, de enige correcte versie was.

Het radencommunisme was een reactie op zowel de teleurstellingen van de social democratie en Lenin’s meer revolutionaire communisme. In tegenstelling tot de sociaal democraten verwierpen Pannekoek en andere radencommunisme het idee dat je met geleidelijke veranderingen bereikt door deel te nemen aan de burgelijke democratie het socialisme kunt bereiken. Maar ze verwierpen ook de manier waarop Lenin hetzelfde wilde doen, met de communistische partij als voorhoede van de revolutie die de arbeiders naar het beloofde land moest leiden. In hun visie moet de revolutie van de arbeiders zelf komen, met een zelfgekozen leiderschap in de vorm van arbeidersraden (zoals de soviets die in het begin van de Russiche Revolutie waren opgericht). Deze raden zouden altijd verantwoording moeten blijven afleggen aan de arbeiders, zonder zelf weer baasjes en bazen te worden.

Er is hier dus geen ruimte voor de communistsche partij als de natuurlijke leider van de arbeidersklasse. In plaats daarvan ziet Pannekoek de rol van de parij als propagandist voor en opleider van de arbeiders, waarbij deze steeds centraal bleven staan. De partij is er dus om de arbeiders zo snel mogelijk voor te bereiden voor de revolutie, om de revolutie te helpen begeleiden zodra deze plaats vond, maar nooit om deze te leiden. Pannekoek hamert er daarom op dat de partij zich niet moet blindstaren op snelle, tijdelijke successen, maar zich gestaag moest blijven kwijten van zijn taken. Uiteindelijk zou de partij dan, nadat het de arbeiders had geholpen de revolutie te winnen, vanzelf wegkwijnen.

Omdat volgens Pannekoek de arbeiders prima in staat waren zichzelf te organiseren in adhoc verbanden, had hij dus ook weinig op met de vakbonden, die volgens hem alleen maar helpen om het capitalisme in stand te houden. Vroeger waren ze misschien belangrijk om de arbeiders georganiseerd te krijgen, maar ze waren allang door het capitalisme ingekapseld en gecorrumpeerd. Vakbonden werden nu gebruikt om de arbeiders te managen en onder controle te houden, waarbij vanzelf een nieuwe laag van baasjes en bazen ontstond die er belang bij hadden om het capitalisme in stand te houden en de arbeiders mak te houden. In elke crisis die tot revolutie zou kunnen leiden zou de vakbond dus op zijn best zich tevreden stellen met de snelle winst, op zijn slechts de arbeiders verraden door een onderonsje te maken met de capitalisten. Als de arbeiders dus ook maar iets willen bereiken, dan kunnen ze dat alleen door om de vakbonden heen te werken.

De kerngedachte van Pannekoek en het radencommunisme is dus dat de arbeiders zichzelf moeten organiseren, zonder tussenkomst van een buiten hun staande partij of vakbond, maar waarbij de partij wel een rol kan spelen in het helpen organiseren. Hierbij zouden zowel de partij als de arbeiders altijd als uiteindelijk doel de revolutie voor ogen moeten houden, die niet bereikt kan worden door stapsgewijze veranderingen, nog door een opgedrongen revolutie geleid door een zelfbenoemde voorhoede. Voor Pannekoek was de revolutie onvermijdelijk, iets wat zou gebeuren als de omstandigheden er rijp voor waren, waarbij de belangrijkste taak van de socialist is om deze te herkennen als het zover is en in de tussentijd zichzelf en de arbeiders te organiseren en op te leiden tot revolutionairen. Zeventig jaar later is deze visie ietwat naïef geworden: er is teveel gebeurd om nog in de onvermijdelijkheid van de revolutie te geloven. Wat niet wil zeggen dat Pannekoek’s ideën waardeloos zijn geworden, maar het is niet de volledige waarheid.

Boekbespreking: De Socialisten - Rudie Kagie

October 30th, 2006

Cover of De Socialisten


De Socialisten
Rudie Kagie
245 pagina’s, inclusief index
Uitgegeven in 2004

2002 was het jaar dat de Socialistische Partij salonfahnig werd. De partij bestond al zo’n dertig jaar en was veranderd van een kleine Maoistisch sekte in de kantlijn van de Nederlandse politiek tot een moderne, breed-socialisitsche partij met een redelijk maar niet spektaculair aantal zetels in de Tweede Kamer. In 2002 echter was het de enige linkse partij die niet alleen haar zetels wist te behouden, maar zelfs winst boekte en dit na de moord op Fortuyn en de woede op alles wat links was die dit veroorzaakte! En toen de eerste Balkenende regering eindelijk de soap opera van de LPF zat was, leek het er even op of de SP bij de nieuwe verkiezingen wel eens héél groot zou worden, met voorspellingen van twintig tot vijfentwintig zetels. Die vlieger ging helaas niet op, maar het dwong de media wel eindelijk eens aandacht te besteden aan dat lastige partijtje. De Socialisten is hier een gevolg van. het is geschreven door Rudie Kagie, beter bekend als journalist en redacteur bij Vrij Nederland.

Wat Kagie heeft geschreven is bedoelt als een overzicht in vogelvlucht van de geschiedenis van de partij en hoe de partij er nu uitziet, voor mensen die er wel eens van hebben gehoord, maar er verder mee bekend zijn. Kagie legt de klemtoon hierbij op de mensen in de partij en niet zozeer de principes en beginselen die het aan houdt. Op zich niet zo’n slecht idee, maar de mini-portretten van de kamerleden had voor mij bijvoorbeeld niet gehoeven.

In het algemeen was De Socialisten voor mij niet zo interessant, omdat het erg gericht is op mensen die weinig tot niets afweten van de partij. Kagie slaagt in zijn opzet om een blik achter de schermen van de partij te geven, maar als je zelf al als actief SP-lid bezig bent geweest, is er weinig nieuws te vinden. Voor niet-leden is dit natuurlijk minder een bezwaar en ik moet hem nageven dat hij een redelijk objectief beeld van de partij geeft, met zowel de sterktes als de zwaktes ervan.

Wat ontbreekt is een systematische analyse van hoe de partij in elkaar zit, wat haar beginselen zijn en hoe de partij deze probeert te verwezelijken. Het een en ander blijft een beetje teveel in de anecdotes hangen en in een aantal gevallen slaat deze anectdotische werkwijze om in sensatiezucht, zoals in de manier waarop de Offensief groep binnen de partij wordt behandeld. Deze groep is een radikaal Trotskyistische belangengroep, een Nederlandse tak van de Engelse Socialist Party of England and Wales die zich binnen de SP inzet voor een meer radikaal socialistische koers, daarbij niet altijd even netjes handelend. Het soort mensen die het vaak goed bedoelen, maar wel mensen tegen zich in het harnas jagen. Ik heb zelf ook met ze te maken gehad, dus misschien ben ik in deze een beetje bevooroordeeld.

Samengevat is dit dus een redelijke introductie tot de SP, die goed weergeeft hoe de partij in elkaar steekt, maar die erg anecdotisch en weinig analyserend is. Het is zeker de moeite waard om te lezen, maar lees het wel met een korreltje zout.

Lees meer over:
, ,

De Wetten - Connie Palmen

October 31st, 2002

De Wetten
Connie Palmen
193 pagina’s
gepubliceerd in 1991

Ik ben nooit zo’n fan geweest van den Nederlandsche literatuur, zoals je misschien wel hebt gezien op mijn booklog, maar ik ben dit jaar toch maar weer eens begonnen met wat meer Nederlandse romans te lezen, waaronder dus deze.

De Wetten is Connie Palmen’s debuutroman en was gelijk een ongelovelijk succes, wat wel blijkt uit het feit dat ik hier de vierentwintigste druk in handen heb, die in 1994 uitkwam, maar drie jaar later dus. Er zijn zat schrijvers die dat nog niet eens in een eeuw halen. Het komt niet vaak voor dat een debuutroman van een dus nog onbekende schrijver gelijk zo’n succes wordt, maar ik begrijp wel waarom dat Connie Palmen lukte. Het is gewoon een lekker vlot lezend boek over een thema dat nou eenmaal veel mensen en zeker veel lezers bezig houdt: de zin van het leven. Hoe wordt ik gelukkig, wat is de diepere betekenis van mijn leven, welke levenswetten moet je volgen. Daarnaast en daarmee verweven is dit ook een boek over schrijven zelf en over de schrijfster zelf.

Het is als eerste al geschreven in de eerste persoon, wat een boek altijd een beetje meer persoonlijk en autobiografisch maakt, zeker wanneer de hoofdpersoon en de schrijvster zoveel op elkaar lijken. Beide zijn intelligente jonge vrouwen, geinteresseerd in filosofie en van plan schrijfster te worden. Het roept de vraag af hoeveel van De Wetten waar is en hoeveel fictie.

De Wetten is opgebouwd rondom een serie van zeven relaties met mannen die lijken te bezitten over de wetten van het leven, elk op eigen wijze: de astroloog, de epilepticus, de filosoof, de priester, de fysicus, de kunstenaar en als laatste de psychiater. Bij elk van hen zoekt ze wat zij zelf nog niet heeft: zingeving. Bij elk van hen krijgt ze wel een stukje van de puzzel aangereikt, maar blijft de afbeelding nog onduidelijk; ze moet haar eigen wetgeving vinden.

Hoewel ik het laatste hoofdstuk een beetje vond tegenvallen blijft dit een ontzettend goed boek dat eigelijk iedereen zou moeten lezen. Connie Palmen is de eerste die het gelukt is me geinteresseerd te maken in de filosofie, zo aanstekelijk als ze erover schrijft. Van reputatie dacht ik dat dit een erg Literair en Moeilijk boek zou zijn, maar dat is gelukkig niet zo. Zware Literaire Thema’s, maar gelukkig met een knipoog. Lees het.